Vlinderwerkgroep Portal

Navigation

 

 
Document Actions

Nachtvlinders

Nachtvlinders vormen de overgrote meerderheid van de Lepidoptera. Toch zijn ze veel minder bekend. Daarom hier een eerste kennismaking.

Vlaanderen krijgt oog voor nachtvlinders. Terwijl tot voor de eeuwwisseling nachtvlinders kijken een bezigheid van een handvol specialisten was, ontwikkelde zich de laatste jaren een heuse dynamiek in deze tak van de natuurstudie. Niet alleen werd schijnbaar plotseling duidelijk dat vele tientallen (prachtige) soorten (macro-)nachtvlinders niet zo moeilijk op naam te brengen zijn, ook verscheen er een goede Nederlandstalige veldgids en werd er vanuit Natuurpunt extra aandacht aan de nachtvlinders geschonken (ondermeer in nachtvlindercursussen). Het aantal nachtvlinderwaarnemers steeg vrij snel en sinds 2008 kunnen deze waarnemers met hun waarnemingen terecht in een centrale databank: www.waarnemingen.be. Dat dit een waar succesverhaal is, wordt geïllustreerd door de bijna 200.000 mottenwaarnemingen die de databank na anderhalf jaar telt. Ter vergelijking: van de dagvlinders bevat de databank 130.000 waarnemingen.

Die ontwikkelingen hebben ons op korte tijd nieuwe inzichten in de verspreiding van nachtvlinders in Vlaanderen bezorgd. Voordien gebeurde er immers geen gecentraliseerde gegevensverzameling. Historische bronnen zoals de catalogi van Hackray & Sarlet of Janssens geven ons wel een idee over de status van de meeste soorten in de periode 1930-1980. Door deze informatie bij elkaar te leggen, wordt duidelijk dat er, net zoals bij de dagvlinders, zowel winnaars als verliezers zijn.

Een overzichtje van enkele opvallende soorten:

Winnaars

Coniferenuil (Lithophane leautieri)

Een grijze herfstsoort die pas in 1999 voor het eerst in ons land werd waargenomen. Opmerkelijk laat, temeer omdat reeds begin jaren 1990 voortplanting in Zeeland werd vastgesteld. De Coniferenuil is een soort van zuidelijke oorsprong. De vlinder is al decennia bezig aan een noordwaartse opmars. Hierbij is gebleken dat de Coniferenuil in staat is zich snel aan te passen aan nieuwe voedselplanten. Terwijl in Zuid-Europa de voornaamste voedselplant Jeneverbes is, eten de rupsen in West-Europa vrijwel uitsluitend van aangeplante uitheemse coniferensoorten. Intussen heeft de soort zich over heel Vlaanderen uitgebreid en is het een vrij banale tuinsoort geworden.

Schedeldrager (Craniophora ligustri)

Een ondermeer aan Wilde liguster en Es gebonden uiltje dat in de jaren 1980 nagenoeg in Vlaanderen ontbrak en nu tot de algemene (tuin)soorten kan gerekend worden dat soms in vrij hoge aantallen wordt gevangen. Zijn Nederlandse naam is een letterlijke vertaling van de wetenschappelijke genusnaam: Craniophora. Die houdt wellicht verband met de variabele witte tekening op het borststuk, waarin een mens, met wat fantasie, een schedel kan herkennen.

Essengouduil (Atethmia centrago)

Janssen (1977-1988) maakt slechts melding van 1 waarneming in de provincie Antwerpen (Mechelen, 1976), wat erop duidt dat deze soort destijds bijzonder schaars was in het noorden van het land. De auteur wijst er overigens op dat de Essengouduil voornamelijk ten zuiden van de lijn Samber-Maas voorkomt. Anno 2010 is de soort in zowat heel Vlaanderen ingeburgerd. Hij wordt meestal in lage aantallen gevangen, maar het aantal vliegplaatsen ligt vrij hoog (en bovendien voor een groot deel in stedelijk gebied). De piek van de vliegperiode is vrij kort (eind augustus-half september), wat ervoor zorgt dat de soort gemakkelijk gemist wordt tijdens een inventarisatie.

Roodkopwinteruil (Conistra erythrocephala)

Historische bronnen (Lempke, geciteerd in Janssen 1977-1988) beschrijven het voorkomen van de soort in Nederland als “zeer wisselvallig, soms plotseling talrijk en daarna weer zeer schaars”. In de jaren 1970-1980 wordt de soort in Vlaanderen zonder twijfel als een zeer zeldzame vlinder beschouwd. Na 2000 kende de Roodkopwinteruil een spectaculaire toename in Vlaanderen. De verspreiding blijft wel beperkt tot bosrijke regio’s in de oostelijke helft van het land.

Gepluimde snuituil (Polypogon plumigeralis)

Deze recente nieuwkomer dook in 2000 voor het eerst op langs de Belgische kust (Vanholder & Bolland, 2002). Sindsdien neemt het aantal meldingen gestaag toe. Wel ligt het zwaartepunt van de verspreiding duidelijk in de provincie West-Vlaanderen. Niet alleen in de kustregio, maar ook in Zuid-West-Vlaanderen wordt de Gepluimde snuituil geregeld gevangen. Meldingen uit Oost-Vlaanderen blijven schaars, al werd de soort tot in Wetteren vastgesteld. Deze zuidelijke soort werd intussen ook langs de Nederlandse kust waargenomen.

Spaanse vlag (Euplagia quadripunctaria)

Het zit de Spaanse vlag wel mee de laatste jaren: het warmer wordende klimaat werkt de vooruitgang van deze mobiele soort in de hand en bovendien verzeilde de Spaanse vlag in de jaren 1990 ‘per ongeluk’ op de Bijlage II van de Habitatrichtlijn, waardoor de aandacht voor deze prachtige verschijning buiten proportie is in vergelijking met die voor andere nachtvlinders. In West-Europa is de Spaanse vlag allerminst bedreigd. Zij breidt gestaag haar leefgebied uit en de belangrijkste waardplant van de soort, Koninginnenkruid, is bovendien vrij algemeen. In Vlaanderen zijn de vrij recent ontstane populatiekernen nabij Leuven en Diest sterk uitgebreid en heeft de soort de hele Dijlevallei ingepalmd. In het zuiden van de provincie Antwerpen vinden we een bolwerk in de regio Mechelen. Jaarlijks worden zwervers aangetroffen in de omgeving van Gent, Antwerpen en op diverse plaatsen in Limburg (waar de soort veel wordt waargenomen van de Voerstreek tot Genk).

Zilverstreep (Deltote bankiana)

Momenteel is de Zilverstreep in heel Vlaanderen een vrij algemene graslandsoort. Dat is ooit anders geweest: deze soort heeft haar ecologische niche verbreed. Terwijl zij tot in de jaren 1970 vrijwel uitsluitend in vochtige hooilanden te vinden was, komt ze nu ook in droge graslanden voor. Janssen (1977-1988) wijst erop dat in de jaren 1980 Zilverstreep algemener geworden dan is dan Zilverhaak (nu een erg zeldzame soort). (PS. Deze soort is uiteraard niet verwant met de uitgestorven dagvlinder Zilverstreephooibeestje).

Karmozijnrood weeskind (Catocala sponsa)

Van dwaalgast tot jaarlijkse verschijning: het Karmozijnrood weeskind is duidelijk toegenomen de laatste jaren. In zowat alle Vlaamse provincies, behalve West-Vlaanderen, wordt Karmozijnrood weeskind met regelmaat waargenomen. Deze soort is gemakkelijker met smeer te lokken dan met licht.

Drievlekspanner (Stegania trimaculata)

De Drievlekspanner is één van de weinige ‘stadsmotten’. Bij de opgang die deze soort in de jaren 1980 en 1990 maakte, werden eerst urbane gebieden gekoloniseerd. Halverwege de jaren 1980 dook de soort op in Anderlecht. Momenteel zijn er populatiekernen in de Antwerpse agglomeratie, nabij Mechelen en Kortrijk. De rupsen leven op diverse populiersoorten.

Aangebrande spanner (Ligdia adustata)

Een bevallig zwart-wit spannertje dat in de jaren 1980 op verschillende plaatsen in Vlaanderen opdook. Het is een soort die meestal in tuinen wordt waargenomen. De waardplant van de Aangebrande spanner is namelijk de regelmatig aangeplante Kardinaalsmuts. Intussen is de soort in heel Vlaanderen een algemene verschijning.


Verliezers

Gevlamde vlinder (Endromis versicolora)

Deze spectaculaire nachtvlinder zoek je best vroeg in het jaar. De vliegperiode loopt van ca. half maart tot half april. Net zoals de Tweekleurige tandvlinder is dit een berkgebonden soort die desondanks bijzonder zeldzaam is. In Vlaanderen zijn er na 2000 een handvol locaties, verspreid over de Antwerpse en Limburgse Kempen, waar de soort is waargenomen. Het mannetje van de Gevlamde vlinder vliegt soms overdag in de zon.

Boksbaardvlinder (Amphipyra tragopoginis)

Janssen (1977-1988) maakt aan de verspreiding van deze vlinder maar weinig woorden vuil: “Nagenoeg overal te vinden”. Op minder dan 20 jaar is de status  van de Boksbaardvlinder geëvolueerd tot ‘nagenoeg uitgestorven in Vlaanderen’. Na 2000 gebeurden slechts een handvol waarnemingen, vooral in de Westhoek en een sporadische melding in Noord-Oost-Limburg. Het is onduidelijk waarom deze soort zo spectaculair achteruitgegaan is. De rups leeft op een resem algemene waardplanten, waaronder Bijvoet en Sleedoorn.

Hoornbloemdwergspanner (Eupithecia pygmaeata)

Van dit onooglijke bruine nachtvlindertje zou je kunnen vermoeden dat het al snel over het hoofd gezien wordt. Nochtans is het ook dagactief en vliegt het in de zon in hooilandjes waar de voornaamste waardplanten (Hoornbloem en soms muursoorten) groeien. Ondanks het toenemende aantal waarnemers, blijft het aantal vindplaatsen van de Hoornbloemdwergspanner bijzonder schaars. Dat staat in schril contrast met de periode 1940-1980, toen een handvol waarnemers in de provincie Antwerpen 11 vindplaatsen in kaart brachten (Janssen 1977-1988). Met de term ‘nogal verbreid’ werd door de auteurs aangeduid dat de soort niet als een zeldzaamheid beschouwd kon worden.

Bonte bessenvlinder (Abraxas grossulariata)

“Al lang niet meer de algemene tuinspanner van enkele decennia geleden”. Zo omschrijven Sierens et al. (2010) de status van de Bonte bessenvlinder in het Meetjesland en het Houtland. Een omschrijving die wellicht voor het overgrote deel van Vlaanderen van toepassing. Hoewel het aantal nachtvlinderaars spectaculair is toegenomen, geldt dit allerminst voor het aantal meldingen van deze prachtige spanner. De soort wordt opvallend vaak gemeld door niet-nachtvlinderaars, wat doet vermoeden dat er wel wat foutieve determinaties (met name verwarring met de gelijkaardig gekleurde Bonte brandnetelmot, een zeer algemene micro-nachtvlinder) in het spel zijn.

Getande spanner (Odontopera bidentata)

Deze voorjaarssoort uit loofbossen is duidelijk op zijn retour. Twee waarnemingen in mei 2009 (te Sint-Kruis-Brugge en te Overijse) zijn de enige die van de laatste jaren voorliggen. In het zuiden van het land blijft de Getande spanner algemener. Een soortgelijk patroon kunnen we ook voor enkele andere bossoorten zoals Gestreepte tandvlinder vaststellen.  De Getande spanner is een gemakkelijk herkenbare soort waarvan de rupsen zich tevreden stellen met algemene struik- en boomsoorten: sleedoorn, wilgensoorten, lijsterbes en eik. Over de redenen van de achteruitgang tasten we totnogtoe in het duister.

Tweekleurige tandvlinder (Leucodontia bicolora)

Een algemene soort is de Tweekleurige tandvlinder nooit geweest. Hoewel de waardplant (berk) algemeen is, verkiest deze prachtige verschijning vooral niet te droge bossen als leefgebied. Momenteel is de verspreiding beperkt tot een handvol gekende vindplaatsen in de Limburgse Kempen.

Dubbelpijluil (Graphiphora augur)

Nog één van die vele ‘Bruine vuurvlinders’ onder de nachtvlinders: Van een soort die in alle Vlaamse provincies met regelmaat gemeld werd evolueerde de Dubbelpijluil tot een erg lokale soort met slechts enkele versnipperde populaties. Recent blijkt de soort teruggedrongen te zijn tot de duinen en Noord-Oost-Limburg. Net als zovele achteruitgaande soorten ligt het ook bij de Dubbelpijluil niet aan de waardplanten, die zijn eerder ‘banaal’: ondermeer wilgensoorten en Sleedoorn.

Steenrode grasuil (Apamea lateritia)

Het verdwijnen van de Steenrode grasuil in Vlaanderen past in een algemene trend van achteruitgang van grasgebonden soorten. Vooral soorten van schrale graslanden staan sterk onder druk. Zeldzaamheden als Donkere grasuil en Groene weide-uil zijn nog schaarser geworden dan voorheen al het geval was. Steenrode grasuil is de laatste jaren niet meer in Vlaanderen waargenomen. Nochtans kan ze niet als een exclusieve graslandsoort bestempeld worden: de waardplanten zijn ondermeer schapengrassoorten (Festuca sp.), Bochtige en Ruwe smele en Borstelgras. Die groeien niet enkel in grasland, maar ook in open bossen, heiden, wegberrmen, …

Hermelijnvlinder (Cerura vinula)

In dit rijtje is de Hermelijnvlinder een bijzonder geval. Vroeger was de soort in heel Vlaanderen algemeen, nu houdt de soort erg lokaal stand (met grote bolwerken in de duinen, en verspreide vindplaatsen in Oost- en West-Vlaanderen en enkele locaties in Limburg en Vlaams-Brabant). De achteruitgang van deze soort houdt wellicht verband met de opkomst van een dubbelganger, de Witte hermelijnvlinder. Het is overigens niet uitgesloten dat een aantal recente waarnemingen van Hermelijnvlinder deze laatste betreffen, temeer omdat de Witte hermelijnvlinder ontbreekt in de Engelstalige literatuur die tot 2006 standaard gebruikt werd. Beide soorten nemen dezelfde ecologische niche in. De Witte hermelijnvlinder is Vlaanderen vanuit de Ardennen binnengekomen; in de provincie Antwerpen dateren de eerste waarnemingen uit de tweede helft van de jaren 1970, intussen is de 'gewone' Hermelijnvlinder in die provincie volledig verdwenen.

Bruine sikkeluil (Laspeyria flexula)

Op een gelijkaardige tijdspanne als bij bijv. de Boksbaardvlinder is de Bruine sikkeluil geëvolueerd van een niet te zeldzame soort (tenminste in de Kempen) tot vermoedelijk uitgestorven. De rupsen van Bruine sikkeluil leven van korstmossen die vooral op naaldbomen groeien en volgens Sierens et al. (2010) schuilt daar een mogelijke verklaring in de achteruitgang van de soort. “De zure schors van naaldbomen is nu minder zuur door de afname van zure regen en de toegenomen ammoniak in de atmosfeer. Ammoniak is een base die de schors van bomen minder zuur maakt Acidofiele korstmossen zijn globaal ook koudeminnend, wat betekent dat de toegenomen temperatuur de laatste twintig jaar hun verdwijnen in de hand werkt in Vlaanderen”, schrijven zij.


Literatuur:

Janssen, A. 1977-1988. Katalogus van de Antwerpse Lepidoptera. Deel 1: Macrolepidoptera. Antwerpen, Vlaamse Vereniging voor Entomologie.

Sierens, T. & D., Van de Kerckhove, O., Van Opstaele, M. & Kindts, B. 2010. De macronachtvlinderfauna van Zandig Vlaanderen tussen Brugge en Gent en van de Scheldepolders in het Meetjesland 1969/1983-2009. Phegea (in prep.).

Vanholder, B. & Bolland, F. 2002. Pechipogo plumigeralis: een nieuwe soort voor de Belgische fauna (Lepidoptera: Noctuidae). Phegea 30 (3): 81-83.